De Nigella sativa is een subtropische plant van 40-60 cm hoog met een penwortel. De blaadjes zijn ragfijne 'draadjes' en contrasteren met de rustieke vorm van de bloemen, die bestaan uit slechts vijf schutbladeren. De vrucht van de nigella is een geribde; kokervormige doosvrucht, gevormd uit vijf of zes segmenten, 6-16 mm hoog en 5-12 mm breed. De vrucht bevat een groot aantal pyramidale zaden, of beter gezegd zaadjes, met een duizendtalgewicht van zo'n 2,5 gram.
De bloemen en vruchten van de wilde Nigella sativa zijn in de regel kleiner dan die van de geteelde planten. Bovendien zijn de vruchter sterker 'behaard' en groter in aantal.
De zwarte zaadjes zijn hoekig van vorm, en daarmee te onderscheiden van de bolvormige poppy- of opiumzaadjes (Papaver somniferum). De veel gebruikte benaming 'zwarte komijn' vindt zijn oorsprong in de lange medicinale en culinaire geschiedenis van de plant die sinds mensenheugenis wordt gebruikt als medicijn en kruid op brood en cake. Het zwart is verankerd in de naam van het plantengeslacht Nigella, waartoe ook het Juffertje-in-het-groen en de wilde nigella behoren. Het plantengeslacht telt slechts 18 vruchtdragende plantensoorten. De doosvrucht of capsule van deze planten bevat talloze kleine, zwarte zaadjes. Alleen die van de Nigella sativa worden gegeten.
Wanneer de vrucht rijp is, is deze gereed om de zaden te verspreiden. De doosvrucht is opgeblazen en licht, en vangt gemakkelijk wind. De bloemstengels zijn na de bloei doorgrgroeid en extra elastisch geworden, waardoor de vrucht door de wind heen en weer bewogen wordt. De vrucht is omgeven door 'kleverige' haken, die zich vast hechten aan een passant, dier of mens. In het voorbijlopen wordt de stengel meegetrokken om uiteindelijk weer los te schieten. De vrucht wordt als het ware gekatapuliseerd, waardoor de zaden via de fijne scheurtjes in de vruchtdoos worden weg geslingerd. Deze techniek waarbij wind én dieren voor de verspreiding van zaden zorgen, wordt semachorie genoemd.
Onrijpe zaadjes zijn scherper van smaak dan rijpe, die bovendien aromatischer zijn. De zaadjes worden daarom geoogst zodra de vruchten rijp zijn.
Men weet niet wanneer precies de nigella gecultiveerd is. In het graf van Tutanchamon (1332-1324 voor Christus) zijn nigella-zaadjes aangetroffen, maar vermoedelijk van wilde planten. In Mesopotamië zijn zaden van nog vroeger aangetroffen, tot in het derde millennium voor Christus. Hier zijn ook de oudste bewijzen van cultivatie en culinair gebruik gevonden, ook in de vorm van beschrijvingen op Assyrische kleitabletten. In het Turkse Boyalı Höyük zijn zaadjes aangetroffen in amphora's, vermengd met bijenwas. Ook deze dateren van rond 100 voor Christus.
Plinius de Oudere noemt de plant in zijn Naturalis historia uit de 5 e eeuw 'gith', een naam die ook aan het Juffertje-in-het-groen werd gegeven. Dioscoredes noemde de plant in de Materia medica 'melanthion'. Ver daarvoor, in de 5 e eeuw voor Christus noemde Hippocrates de plant koninklijke komijn (kyminon), voluit kyminon to aithiopikon of Ethiopische komijn. Deze naamgeving vindt zijn oorsprong volgens Polyaenus aan het Perzische hof.
In de bijbel en de koran komt Nigella voor. In het oude Testament wordt in Jesaja 28:25 ketzah beschreven. Kertzah of qetzach is de Hebreeuwse naam van het zaad. Het was in die tijd - de achtste eeuw voor Christus - gebruik in Syrië en Palestina om nigella-zaad over platte broden en cakes te strooien.
Nigella (habba tu sawda) was waarschijnlijk nog belangrijker voor Moslims dan voor Joden en Christenen. In een h’adieth van de profeet Moh’ammed staat beschreven "er is genezing in zwarte komijn voor alle ziekten behalve de dood".
De zaadjes werden lange tijd, in Alexandria in de broodbakkerij, als smaakmaker gebruikt, maar de Romeinen waren er niet bepaald verzot op, en toen de Romeinen Egypte veroverden, ging die traditie verloren. Apicius vond nigella net goed genoeg om in bittere digestieven te verwerken, zoals in oxyporum.
De zaadjes worden nog altijd geoogst van planten die in het wild groeien, maar meestal van geteelde planten. De landbouw van de nigella vindt plaats in India- niet in Pakistan voor zo ver bekend - Iran, Irak, Israel, Jordanië, Libanon, Syrië, Turkije, Jemen, Egypte, Tunesië, Soedan en Ethiopië. De Nigella groeit er in subtropische regio's en in hoger gelegen tropische gebieden (1500-2500 meter).
De belangrijkste producenten zijn Turkije, India (Punjab Bihar en Assam), Egypte en Iran (Fars, Korasan en Qazvin).
In 1753 heeft Linneaus het geslacht de naam Nigella is afgeleid van het Latijnse nigellus, dat zwartig of donkergekleurd betekent, naar het woord zwart (niger). Het epitethon sativa betekent 'gecultiveerd', en doelt op het feit dat toen Linneaus de plant in deelde, het op grote schaal verbouwd werd.
in de meeste talen wordt het zaad zwarte komijn genoemd, black cumin (Engels), cumin noir (Frans), kala jeera (Hindi) en Scharskümmel (Duits).