


Het geslacht Tropaeolum is het enige geslacht in de klimkersfamilie of Tropaeolaceae. Het omvat een zestigtal plantensoorten, waaronder deze knolkapucien en de al genoemde Oost-Indische kers (Tropaeolum majus). Veel soorten gaan van tijd tot tijd een periode van een jaar of langer in een slaapstand.
De Tropaeolum tuberosum is een klimplant die geleid moet worden. Hij heeft schildvormige, gelobde bladeren met 5 tot 7 lobben. De plant draagt dieprode, eetbare bloemen. De bloemen bevatten zowel de mannelijke als vrouwelijke delen, en worden door insecten zoals hommels en bijen bestoven. De plant is zelfbestuivend..
Op het noordelijk halfrond groeien vanaf half oktober tot half november eveneens eetbare knollen aan de stolonen, uitlopers, dus eigenlijk stengels, die verschillende planten - in dit geval ondergronds - verbinden.
In Zuid-Amerika noemt men de plant net als de knollen gewoonlijk mashua. Tijdens de groei oogst men er de bloemen en bladeren, die net als de wortels gegeten worden. De bladeren hebben zoals de knollen een scherpe smaak, die wel wordt vergeleken met wasabi. De bladeren - alleen jonge exemplaren - worden net als die van waterkers als 'kers' of pittig kruid gebruikt.
De plant is zo'n 4.000 jaar geleden in de Peruaanse Andes gecultiveerd, in een periode vér voor de Inca-beschaving. Uit archeologische vondsten is gebleken dat de mashua daar al 7500 jaar wordt gegeten.
Hij groeit op een hoogte van 2.400 tot wel 4.300 meter, hoger dan de aardappel. Daardoor is het altijd een belangrijk gewas geweest voor de volkeren op de hoogvlakten van de Andes. Buiten de Andes werd de mashua nauwelijks verbouwd en nauwelijks egeten.
De familie- en geslachtsnaam bevat het woord Tropeamum, de Latijnse benaming van een boom die met wapens behangen werd wanneer een zege was behaald. Vanwege de bladvorm, die doet denken aan een schild, heeft Linneaus voor deze naam gekozen, die is ontleend aan de Griekse term tropaion, symbool van de overwinning
De Nederlandse benaming knolkapucien verwijst naar de vorm van de bloemen, die lijken op monnikskappen, en de eetbare knollen.
De plant kent in Zuid-Amerika verscheidene namen, maar wordt gewoonlijk mashua, mashwa, mascho of soortgelijk luidend genoemd. De naam komt uit het Quechua.