


De 'echte' coquille Saint-Jacques, is een Pecten maximus, de grootste eetbare mantelschelp, die in het Nederlands de Grote mantel wordt genoemd. De benaming Sint-Jacobsschelp of jacobsschelp is in ons land niet beschermd, net zo min als het woord coquille, Frans voor 'schelp'. Daardoor worden onder deze benamingen schelpen verhandeld van verschillende mantelschelpensoorten van over de hele wereld. Meestal in de vorm van ontschelpte coquilles, die vooral diepgevroren verhandeld worden. In Frankrijk worden deze 'andere' coquilles pétoncles genoemd.
Hoewel de Grote mantel Jacobsschelp wordt genoemd, is de schelp met die botanische naam, de Pecten jacobaeus, een kleinere, veel minder vaak voor komende soort.
De Coquile Saint-Jacques werd tot voor kort alleen uit het Kanaal en de baaien voor de Franse westkust gevist, maar sinds enige jaren mogen de Mediterrane mantelschelpen die voor de kust van Marseille worden gevist zich daarbij aan sluiten.
In onderstaand lijstje staan de meest voor komende mantelschelpen die als coquille gebruikt worden, en - met excuses aan de puristen - zich gemiddeld uitstekend met de Franse coquille kunnen meten; beginnende met de Pecten maximus zelf:
De meeste van deze mantelschelpen zijn links-convex, wat betekent dat de linker (bovenste) schaal bol is, en de rechter (onderste) schaal vlak. Maar dat is niet bij alle soorten het geval. De schalen zijn voorzien van radiale ribben, die op de rechter schaal dieper zijn dan op de linkerschaal. Meestal zijn de groeiringen, haakjs op de ribben, duidelijk zichtbaar. De Jacobsschelp is geliefd om zijn forse adductor-spier, mals en zoet, maar ook het oranje kuit (koraal) wordt gegeten.
Op de Europese markt worden naast de Europese soorten vooral de Patagonische kamschelp aangevoerd, uit Argentinië en Uruguay, de Amerikaanse grote mantel uit de Verenigde Staten en Canada, de Peruaanse kamschelp uit Peru en Chili en de Japanse mantelschelp uit Japan. Incidenteel ook de Mimachlamys nobilis uit Vietnam.
In Nederland zijn de gebruikelijke handelsnamen in de Visserijwet opgenomen, niet om ze te beschermen maar om de begrippen in de wet te kunnen hanteren, in de zin van ' met deze naam wordt bedoeld . . .'. . Een feitelijke bescherming biedt deze opsomming niet. Daarvoor moeten we bij de Europese en Franse beschermingskeurmerken zijn.
De Britse Manx Queenies zijn als enige voorzien van het Europees PDO-label, en worden officieel Isle of Man queenies genoemd. De Bretonse Coquille Saint-Jacques des Côtes d'Armor (uit de Baie de Saint-Brieuc) is de enige Franse mantelschelp die kan bogen op Europese Oorsprongsbescherming (PGI/AOC). De Normandische coquilles uit de Baie de Seine hebben het Label rouge.
Het gebrek aan eenduidigheid leidt tot een kakofonie aan benamingen, waar de handel regelmatig mee aan de wandel gaat, zoals de Keuringsdienst van waarde in maart 2017 signaleerde met Mini-coquilles à la façon Saint-Jacques van Lidl, overduidelijk Patagonische mantelschelpjes (slechts 50-55 mm). Fransen beklagen zich daarover: "Le consommateur qui achète des coquilles Saint-Jacques se fait parfois servir des pétoncles".
In het Duits en Zuid-Afrikaans worden de Jacobsschelpen Kammuscheln of Kammosselen genoemd, een naam die in het Nederlands vaak voor schelpen uit het Chlamydinae-geslacht. In het Frans gebruikt men sinds de achttiende eeuw de benaming pétoncle, afgeleid van Pectunculus, tegenwoordig gebruikt ter aanduiding van alle kammosselen, behalve de Coquille St-Jacques dan, meer specifiek doelend op de Bonte mantel, de Mimachlamys varia.
Het is ingewikkeld om een betrouwbaar beeld te schetsen van de duurzaamheidsaspecten van de meer dan veertig commerciële visserijen op jacobsschelpen voor de sector als geheel, gezien de grote verschilen. Seafish doet daar een poging toe, door van elk van deze visserijen bij te houden hoe de stand van zaken is. Deze is niet alleen uitgebreid maar ook actueel.
Momenteel (03/2017) kunnen slechts negen visserijen over het MSC-label beschikken voor de verkoop van coquilles Saint-jacques en daaraan gerelateerde producten, alleen in Nederland al verspreid over meer dan dertig producten en merken. Daaronder 'wild ranching' de in de jaren 60 van de vorige eeuw in Japan ontwikkelde methode waarbij spats in open water worden gekweekt
Net als gebruikelijk is bij de teelt van oesters en mosselen, zijn er technieken waarbij de schelpen in een verticale waterolom worden eteeld, afhankelijk van de diepte van het water in een reeks grotere of kleinere netten, of aan touw. Vooral in Japan wordt een ruime range van technieken gebruikt, waaronder de oorhang-methode, wat heel gruwelijk klinkt, maar vergelijkbaar is met de gebruikelijker methode om de schelpen met een specie aan een touw te plakken. In plaats daarvan wordt bij de oorhangmethode een gaatje in het 'oor' van de schaal geboord waaraan de schelp komt te hangen. Dat kan alleen bij al grotere schelpdieren waarvan het oor voldoende groot en sterk is.
Van de netten die gebruikt worden zijn het parelnet en het lantaarnnet Japans favorieten. Wanneer de schelpen 1 jaar oud zijn - men noemt ze dan chigai - worden ze vanuit de parelnetten overbracht naar lantaarnenetten. Dat gebeurt aan land. In de lantaarnnetten blijven de schelpen nog (minstens) drie jaar. Beide technieken worden ook elders gebruikt, in Chili wordt in plaats van het parelnet vaak de
In Schotland wordt een klein deel van de schelpen door professionele duikers opgevist, en is een begin gemaakt met 'wild ranching' onder de naam 'scot-hatch'. Deze techniek wordt elders op grote schaal toegepast, onder meer voor de kust van Peru en Chili, waar de populaties sterk beïvloed worden door schommelingen in temperatuur van de Humboldt-stroming en in de Franse Baie de Brieuc, waar de schelpenpopulatie door overbevissing in de jaren 80 gedecimeerd was. De Manx queenies worden net als de Mediterrane mantelschelp met netten gevangen.