


Het meest zichtbaar zijn de spier en - afhankelijk van het seizoen - de oranje koraal, het voortplantingsorgaan van de schelp. De op het eerste oog ongedefinieerde donkere massa rondom de spier herbergt niet alleen de ingewanden, maar ook zijn vizier op de buitenwereld, een rij ogen die het schelpdier in staat stellen zijn omgeving te verkennen, wanneer de schalen althans tenminste op de kierstand staan. Sommige soorten beschikken ook over tentakels.
Er zijn voor de schelp nog twee belangrijke redenen om de schelp te openen, secretie en voortstuwing. Om met het laatste te beginnen, de schelp verplaatst zich door een pulserende beweging met de schalen te maken. Hoe krachtiger de spier, hoe groter de snelheid die de schelp kan ontwikkelen.
Hoewel de schelp zich uitstekend zwemmend zou kunnen redden, zal een mantelschelp niet migreren. Hij gebruikt zijn zwemcapaciteiten nooit voor dat doel, maar vooral om aan belagers te ontkomen. Aan zijn zwemkunsten komt overigens een eind wanneer de schelp te groot wordt om te torsen, gemiddeld is dat wanneer deze 11-12 cm groot is, en het dier vier tot zes jaar oud is.
De kieuwen van de mantelschelp dienen een tweeledig doel. Ze zuigen er water en voedseldeeltjes mee naar binnen zuigen. De ademhaling vindt plaats door zuurstof uit het water op te nemen dat gevoerd wordt naar het driekamerig hart, twee atria waarin het bloed uit de kieuwen arriveert, en één gespierde hartkamer waarmee het zuurstofrijke bloed via slagader voortgestuwd wordt.
De kieuwen doen ook dienst als filter. Ze laten geschikt voedsel zoals phytoplankton door. Dat wordt met slijm (mucus) gebonden en met trilhaartjes (cilia) langs de groeven van de schelp naar het mondgebied getransporteerd.
Van daar bereikt het voedsel via de slokdarm de maag, een complex orgaan dat een groot deel van spijsvertering verzorgt. Door middel van rotatie zorgt de maag voor het selecteren van fijnere delen (die in de verteringsklieren worden opgenomen) en grotere deeltjes, die in de darm belanden. Vandaar gaat het afval naar de anus, die bestaan uit poriën waardoor het afval wordt afgevoerd. De ingewanden van een schelpdier bevinden zich in een ingewandzak.
Net als andere weekdieren scheiden tweekleppigen ook urine uit. Ze beschikken over een met onze nieren vergelijkbaar nefridium en een blaas waarin de urine wordt opgeslagen om via een buisje geloost te worden en met het uitstromende water de schelp te verlaten.
De tweekleppigen beschikken net als andere weekdieren over een voet. Bij schelpdieren die zich aan een harde ondergrond hechten is die voet sterker ontwikkeld dan bij schelpen die zich (regelmatig) verplaatsen. Soms functioneert de voet als een graafwerktuig.
De levenscyclus van de mantelschelp begint met de vorming van geslachtscellen of gameten. Gameten zijn geslachtscellen, die van een mannelijk organisme heten zaadcel, die van een vrouwelijk organisme eicel. In het geval van een hermafrodiet produceert deze zowel mannelijke als vrouwelijke gameten, met het risico van zelfbevruchting. Om dat te voorkomen, worden de mannelijke en vrouwelijke cellen niet gelijktijdig geproduceerd, maar na elkaar, een eerste periode alleen mannelijke cellen, later alleen vrouwelijke cellen.
Wanneer de juiste omgevingsfactoren aanwezig zijn (waaronder de juiste watertemperatuur) paaien de dieren en worden de eicellen bevrucht. Dat gebeurt buiten het lichaam. Dan begint het larvestadium. De larve doorloopt een aantal stadia tot hij de volwassenheid bereikt om de cyclus te hervatten en zelf gameten te vormen.
Een enkel legsel van een mantelschelp bestaat uit miljoenen eitjes. Al na enkele dagen komen deze uit. Het embryo is dan een trochophora-larve geworden, een stadium waarin de larve gebruik makend van trilharen (cilia) op de stroming mee wordt gevoerd, nog niet in staat is zelfstandig te bewegen.
Zodra de larven dat wel kunnen, dit wordt het veliger stadium van de larve genoemd, begint de ontwikkeling van de schaal (ze zien er dan uit als mini-schelpjes), de ogen en de voet. Dit is de voorbereiding voor het volgende stadium waarin de pediveliger in staat is zijn voet voor het eerst te gebruiken. In dit stadium komt de klier tot ontwikkeling die de draden uitscheidt waarmee de jonge schelp zich goed aan harde oppervlakken kan hechten.
Vanaf dat moment - de schaal is zo'n 2,5 cm groot - maakt de larve zijn grootste ontwikkeling door, hij bereikt het spatstadium. Daarin hecht hij zich op een vaste plek, daarin verandert zijn motoriek en schakelt hij over op zijn nieuwe dieet. Ze zijn dan op hun kwetsbaarst, en er komen er veel om. Ook die spats, die er niet in slagen zich aan een voldoende vaste ondergrond te hechten, maar in los zand of drijfzand belanden bijvoorbeeld.
Voordat ze als volwassen schelpen kunnen zwemmen, maken ze nog een fase door waarin ze zich (opnieuw) hechten, ditmaal aan beplanting (zeegrassen), schelpen of los gesteente. Zodra ze de macht hebben om met behulp van hun adductor de schelp kunnen aansturen om te zwemmen en te kunnen acceleren om aan belagers te ontsnappen, laten de dieren hun ondergrond los, om zich er vanaf dat moment niet meer aan te hechten.
Wanneer de schelpen daarin tot ontwikkeling komen, ontstaat het gevaar dat ze elkaar beschadigen, wanneer de omstandigheden ongunstig zijn (denk aan temperatuur of zoutgraad van het water) of wanneer het 'huis' overbevolkt raakt. Om die reden worden de dieren tijdens hun groei overgezet vanuit het ene systeem naar een beter toegesneden volgend systeem gedurende de 1 tot 3 jaar dat de schelpen gehoed worden.
De belangrijkste kweektechnieken zijn die met parelnetten (pyramidevormige netten in een verticale kolom), de cylindrische lantaarnetten, waarin de schelpen kunnen uitgroeien, en de oorhang-techniek (Japans: suika shiki), waarbij grotere schelpen aan hun 'oor' worden gehangen, waarin een gatje geboord wordt. Daarnaast vindt veel wild-ranching plaats, waarbij de schelpen op de bodem van de zee vertoeven en gedregd worden.
Eén van de kweekvormen, we noemden deze al, is de kweek in lantaarnnetten, zoals die wordt toegepast in Peru. Meer hierover in het artkel dat gaat over de Peruaaanse mantelschelp.