Haring
Schoolvis (Clupeidae)
Atlantische haring
HARINGPRODUCTEN
ATLANTISCHE HARING
 

DE ATLANTISCHE HARING

De Atlantische haring(Clupea harengus) is een vis, die in concentraties van vele duizenden tot miljoenen vissen per school voor komt in het noordelijk deel van de Atlantische oceaan.

De haring is een straalvinnige vis, lid van de familie van de haringachtigen (Clupeidae), die zo'n 200 nog levende soorten omvat, waaronder de sardine en de ansjovis. Een haring is gemiddeld 25 cm lang, maar kan wel 45 cm worden, afhankellijk van het soort. De karakteristieke verhouding tussen de grootste hoogte en de lengte van een haring bedraagt 1:5.

De zilverkleurige vis heeft een blauwgroene rug met een korte rugvin en een korte anaalvin. De staart is gevorkt. De schubben van een haring zijn groot, maar dun en laten gemakkelijk los.

De Atlantische haring wordt onderscheiden in populaties en subpopulaties. Elk heeft zijn eigen karakteristieke gebied om te jagen, te paaien en te overwinteren, en zijn eigen trekroutes. Die laatste zijn niet afhankelijk van de omstandigheden. Hierdoor is van specifieke soorten exact te voorspellen waar ze zich op een bepaald moment op houden. Door deze vaste patronen, kan het voorkomen dat de haring en de plankton elkaar vroeger of later dan gebruikelijk treffen. Dat werkt direct door in de geschiktheid van de haring om voor maatjesharing gevangen te worden; voorwaarde is dat de haring zich tegoed heeft gedaan aan de (vette) plankton. Het seizoen voor maatjesharing is hierdoor in de afgelopen jaren enkele weken naar achteren geschoven (van begin naar midden juni).

Een Noordzeeharing komt niet noodzakelijkerwijs in de Noordzee voor, en zeker niet exclusief. Een ander soort dat in de Noordzee voor komt is de kanaalharing of Downs herring, een groter soort. De Noordzeeharing paait op diverse plaatsen langs de Schotse en Engelse kust langs het Kanaal. Voor de vangst van maatjesharing is naast de noordzeeharing een soort van belang dat in de Oostzee paait en via het Skagerrak naar de noordelijke Noordzee komt.

Het vrouwtje legt na afloop van de voedselrijke zomer, vanaf augustus haar eitjes op de bodem van de zee. Sommige soorten doen dat in ondiep water op 20-40 meter diepte, andere op de zeebanken, tot zo'n 200 meter diep. De eitjes plakken aan de ondergrond, die meestal uit zand en grind bestaat, maar ook plantaardig kan zijn. De bevruchting vindt buiten de vissen om plaats door het mannetje dat zijn zaad over de eitjes verspreid terwijl het vrouwtje ze legt. De eitjes komen na zo'n drie weken uit, afhankelijk van de temperatuur.

De fry zijn 6-10 mm lang wanneer ze met de stroom mee drijven en eten van de kleinere plankton die ze tegen komen. Ze zwemmen nog gebrekkig. Wanneer ze 40 mm zijn, krijgen ze het uiterlijk van een haring, een zilverkleurige huid met schubben. Ze verblijven in beschutte gebieden langs de kust, vaak temidden van sprotten (Sprattus sprattus), wat betekent dat ze geregeld bijvangst zijn van sprotten.

De jonge haring blijft de eerste twee jaar voor de kust en voedt zich dan overwegend met kleinere plankton, daarna trekt hij naar zee en voedt zich behalve met plankton (Calanus) ook met kleine kreeftachtigen zoals het roeipootkreeftje en visjes. In het derde jaar zijn de jonge haringen geslachtsrijp, en daarmee geschikt als maatjesharing.

Wanneer er plankton in overvloed is, richt de haring zijn pijlen daarop. De plankton is vet, en vet is belangrijk voor de haring, die het vet opslaat voor de magere winter. Wanneer hij zich aan de plankton tegoed doet, kan zijn vetgehalte wel met 2% per dag toenemen, tot 20-25% van zijn lichaamsgewicht.

Haringen jagen op hun prooi in immense scholen, waarin de verschillende populaties tezamen op trekken. Zo'n school Overdag bevinden de haringen zich het liefst op diepte, om 's nachts naar de oppervlakte te zwemmen en op jacht te gaan.

OORSPRONG EN VERSPREIDING

De Atlantische haring leeft in het oostelijk deel van de Atlantische oceaan, van de Golf van Biskaje tot Nova Zembla, in de Noordzee, de Oostzee en de Baltische zee, in de kustwateren rond IJsland, en in het westelijk deel van de Atlantische oceaan van Zuid Carolina tot Labrador en Groenland.

De haringstand in de Noordzee bedroeg in het midden van de 20e eeuw 3 miljoen stuks. Dat aantal was in de jaren zeventig van de vorige eeuw teruggelopen tot een schamele 60.000. Sedert het aflopen van het moratorium op de vangst van haring eind jaren zeventig (in de Noordzee) en het sindsdien gevoerde vangstbeleid is de haringstand weer aanzienlijk toegenomen en in de afgelopen jaren redelijk constant zo'n 2 miiljoen vissen.

Het grootste haringbestand in de oostelijk deel van de Atlantische oceaan is het in de lente paaiende Noorse haringbestand, waarop gevist wordt in de wateren tussen IJsland, Noorwegen en Spitsbergen.

TAALKUNDIGE ASPECTEN, ETYMOLOGIE

Het woord haring is West-Germaans en bestaat uit een voorgvoegsel en een achtervoegsel, die ieder voor zich gebruikelijk waren, 'har' (of 'kar') als in in visnamen als harder, karper en schar. Het achtervoegsel 'ing' is voor visnamen al even gebruikelijk, neem bokking, wijting en paling.

De naam werd al in de 3e eeuw 'gelatiniseerd' tot 'aringius'. De soortnaam Clupea is afgeleid van Clupeus, een verwijzing naar de schubben. Clupea is het latijnse woord voor sardine.

VERTALING HARING

engels
herring
frans
hareng
italiaans
aringa
spaans
arenque
duits
hering
indonesisch
 
japans
nishin, kadoiwashi
vietnamees
 
chinees
 
kantonees
 
 

EEN BEKNOPTE GESCHIEDSCHRIJVING

Er wordt al op haring gevist sinds 3.000 jaar voor Christus, vooral voor eigen gebruik. Aan het begin van de 11e eeuw ontstonden de eerste commerciele visserijen in vissersdorpen langs de Noordzeekust, eerst in Vlaanderen, gevolgd door Zeeland en Holland.

De haringindustrie kreeg een boost vanaf het moment dat de Nederlanders het kaken uitvonden, de basis voor de Hollandse nieuwe haring. Het kaken bestond al, blijkens de vondst van honderden gekaakte haringen in het Noorse vissersdorp Selsø Vestby. Zonder meer Nederlands was de keuze voor het kaken aan boord van het schip.

In het begin van de 17e eeuw was de haring in ons land het belangrijkste volksvoedsel, de vloot telde in 1609 800 'buizen' en was van eminent economisch belang. Veel van deze schepen waren gedeeld eigendom, een eerste vorm van aandelen. De schepen werden ook voor andere doeleinden ingezet, zoals de kabeljauwvangst en voor het vervoer van vrachten.

Het was de periode die het einde in luidde van de Hanze, een van origine Duits verband van handelaren en steden. De Hanze (een Duits woord voor gilde) was in de Middeleeuwenis opgericht om de Duitse handelsbelangen te beschermen, te beginnen met de zout- en vishandel (haring) aan de Oostzee. Aan de Hanze namen op het hoogtepunt 200 steden deel, ook uit andere landen zoals Nederland, met zijn hoofdkantoor in Londen en een lint van steden dat reikte tot het Russische Novgorod.

De kentering ontstond in de 16e eeuw. Er ontstonden nieuwe concurrerende handelsverbindingen over grote afstand, zoals met Amerika. In Nederland werd in 1602 de Verenigde Oostindische Compagnie opgericht die zich richtte op het Oosten, in Engeland de Westindische Compagnie met zijn oog op het westen, onder meer de Caraïben. De haringvangst op de Oostzee stortte in als gevolg van overbevissing. De fundamenten onder de Hanze vielen één voor één weg, en de Hanze werd in 1669 ontbonden.

Op haringgebied was Nederland aan het begin van de 17e eeuw een grootmacht geworden. De haringvisserij heette hier niet voor niets de grote visserij, de op dat moment zeker niet onbelangrijke vangst op walvissen de kleine visserij. Maar het bleef niet zo, door de handelsoorlogen met Engeland en Frankrijk en het teruglopen van de haringstand stortte de grote visserij in.

Pas halverwege de 19e eeuw trok de haringvangst weer aan. De haring moest wel op steeds grotere afstand bevist worden, ook door de Zuiderzeevissers, waar de haring verdwenen was door de afsluiting van de Zuiderzee. Met up's en down's krabbelt de haringvangst momenteel weer op, en wat belangrijker is, de haringstand herstelt zich nog steeds, alkthans in de oostelijke Atlantische oceaan. In het westelijk deel voor de Amerikaanse kust baart de haringstand nog wel degelijk zorgen.

GEZONDHEIDSASPECTEN

Haringen hebben vaak last van een parasiet, die naar de haring haringworm is genoemd, maar ook bij andere vissen voor komt. De haringworm kan bij beschadigingen teweeg brengen aan de maag- en darmwand van de mens. Sinds de ontdekking van de haringworm aan het begin van de 20e eeuw, is de wettelijke verplichting gekomen om haring na de vangst in te vriezen. Het is tot nu de enig probaat gebleken methode om de parasiet te bestrijden, en de meeste haring komt dan ook ingevroren aan wal.

.

DUURZAAMHEID

Al sinds de 17e eeuw is de vangst op haringen gekenmerkt door regulerende maatregelen tegen overbevissing. In 1977 werd zelfs een absoluut verbod op de haringvangst in de Noordzee afgekondigd. Dit verbod heeft vier jaar gegolden.

De primaire vangstgebieden liggen tegenwoordig bij Denemarken en Noorwegen. Noorwegen is geen lid van de Europese Unie, dat met Noorwegen jaarlijks afspraken maakt over de verdeling van de vangst aan de hand van de TAC (Total allowance catch). Van de TAC voor haring (exclusief bijvangst) geldt voor ons land een afspraak dat zij 18% vissen.

In 2015 mag Nederland 445 miljoen kilo haring vangen. Daarvan is 25 miljoen kilo (180 miljoen haringen) maatjesharing, de rest bestemd voor de conservenindustrie of (onverwerkt) export.

Alle Europese haring is MSC-gecertificeerd. Dit MSC-certificaat geldt voor de hele PFA-vloot die op haring vist, een vloot die uit 25 trawlers uit vijf EU-landen bestaat. PFA staat voor Pelagic Freezer Trawler Association, maakt gebruik van een groot, vierzijdig zweefnet (de pelagische trawl) dat zowel in horizontale als verticale richting opengetrokken wordt.

Sinds 1 jauari 2015 zijn deze schepen verplicht (EU) om alle vangst aan wal te brengen, waarmee beoogd wordt te voorkomen wat het jaar daarvoor zeker in het Kanaal nog regel was, dat een enkel schip honderden tonnen bijvangst overboord gooit, zoals bovenstaande foto van Greenpeace illustreert.

GEZONDHEIDSASPECTEN

VOEDINGSSTOFFEN - GEZONDHEIDSRISICO'S

SAMENSTELLING PER 100 GRAM
RAUW PRODUCT

158
kcal
(660 kJoule)
18,0
gram
eiwitten
9,0
gram
vet
2,0
gram
verzadigd
3,7
gram
enkelvoudig onverzadigd
2,1
gram
meervoudig onverzadigd
1729,0
mg
omega-3
130,0
mg
omega-6
60,0
mg
cholesterol
VITAMINES
30,7
µg
vitamine A
(3,8% ADH)
0,1
mg
vitamine B1
(9,1% ADH)
0,2
mg
vitamine B2
(14,3% ADH)
3,2
mg
nicotinezuur
(20,0% ADH)
0,6
mg
pantotheenzuur
(10,0% ADH)
0,3
mg
vitamine B6
(21,4% ADH)
10,0
µg
foliumzuur (B9)
(5,0% ADH)
13,7
µg
vitamine B12
(548,0% ADH)
0,7
mg
vitamine C
(0,9% ADH)
40,7
µg
vitamine D
(814,0% ADH)
1,1
mg
vitamine E
(9,2% ADH)
0,1
µg
vitamine K
(0,1% ADH)
MINERALEN
57,0
mg
calcium
0,1
mg
koper
1,1
mg
ijzer
327,0
mg
kalium
32,0
mg
magnesium
90,0
mg
natrium
236,0
mg
fosfor
36,5
µg
selenium
1,0
mg
zink

BRONVERMELDING UPDATE AUGUSTUS 2016

Atlantic herring | Wikipedia (EN/DU/NL) Clupea harengus | FAO Fisheries and aquaculture Raw Atlantic herring, nutritionfacts (voedingswaarde) | Nutritiondata.self.com Factsheet haring | Nederlands Visbureau Haring | Etymologiebank M.Philippa, Etymologisch woordenboek van het Nederlands Clupea harengus | Fishbase Noordzeeharing | Centrum voor visserijonderzoek LU Wageningen Geschiedenis van de haringvangst | ISGeschiedenis DUURZAAMHEID Clupea harengus | IUCN Red List of threatened species 2015.1 Visquota en tijdelijke sluitingen vangstgebieden | Rijksoverheid.nl Long-term management strategy for herring | ICES Special request advice Greater Noth sea and Baltic sea ecoregions. Nederlandse haringvisserij 100% MSC gecertificeerd | Marine Stewardship Council (MSC) Atlantische haring | Viswijzer