

De Argopecten irradians is één van de meer dan driehonderd schelpensoorten in de Pectinidae-familie, de mantelschelpen genoemd. De schelp leeft op zandige bodem en bodems waarop zeegrassen groeien. Hij wordt hoogstens twee jaar oud en plant zich na het eerste jaar voort.
De baaikamschelp is functioneel hermafrodiet, met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Hij geeft eerst mannelijke gameten af, om zelfbevruchting te voorkomen, pas daarna vrouwelijke gameten. Een schelp heeft in zijn leven maar één voortplantingscyclus, die begint in augustus met de ontwikkeling van de ovocyt (vrouwelijke gametocyt) en eindigt met de paring in oktober, bij een watertemperatuur van 20°.
De schalen zijn vrijwel rond en qua bolling weliswaar verschillend maar minder extreem als van de Pecten maximus. Beide schaaldelen zijn gebold. De kleur van de linkerschelp is vrijwel gelijk aan die van de rechterschelp, met dien verstande dat er grote kleurverschillen zijn. Sommige schelpen zijn bijna wit, andere crème-kleurig, grijsbruin of oranjebruin, in veel schakeringen.
De soort kent de volgende variëteiten: de Noordelijke baaikamschelp (Argopecten irradians irradian), de Zuidelijke baaikamschelp (Argopecten irradians concentricus) en de Golf-baaikamschelp (Argopecten irradians amplicostatus). De laatste komt alleen voor in de Missisipi-delta en de GFolf van Mexico. Hij is de bolste schelp van de drie, en het verschil tussen de bolling van de linker - en de rechterscherp is het duidelijkst aanwezig.
De Baaikamschelp heeft de kenmerkende oren van de mantelschelp, en is het beeldmerk van de staat New York. De schaal is gemiddeld 5,5 tot 9 cm groot, en heeft 14 - 21 ribben met duidelijk zichtbare groeiringen. De bolle bovenste schelp is roestbruin, de rechterschelp lichter van kleur, veelal crèmekleurig.
Het witte coquillevlees is de adductor, de grote spier die de schelp in staat stelt om kortere afstanden te 'zwemmen' door de pulserende werking van het openen en sluiten van de schelp. De adductor van de baaikamschelp heeft een diameter van circa 2,5 cm, duidelijk kleiner dan die van de oost-Atlantische Grote mantel.
Eetbaar zijn alleen het malse melkwitte vlees (de adductor-spier, pil of noot) en het koraal (coraille). Daarnaast bevat de schelp de kieuwen (gills), het vlies en de (donkere) ingewanden, maag en lever. Deze worden niet gegeten.
In het artikel "de techniek van het openen van jacobsschelpen " vind je beschreven en getoond hoe je de kamschelp moet openen en klaar moet maken voor bereiding.
Het seizoen is september tot mei, met een piek van januari tot en met maart. Naar gelang het seizoen ligt tegen de spier aan de fel-oranje kuitzak, het koraal of de coraille, het voortplantingsorgaan van de schelp.
Je koopt deze kamschelp in de schelp, in dat geval zijn dat er ongeveer 180 stuks in één kilogram, of alleen de spier, vers of diepvries.
Een verse mantelschelp kan rauw gegeten worden. Wanneer het vlees gebakken wordt, mag dat niet te lang verhit worden, dan wordt het subiet taai. Het vlees is het heerlijkst wanneer één zijde voorzien is van een gekaramelliseerd korstje. Dat bereik je door het op een zo heet mogelijke plaat te bakken, aan de schelp of losgemaakt.
Druk de spier goed tegen de plaat aan, en bak hem, afhankelijk van hoe warm je plaat of pan 1 tot 1&frac; minuut. Handel snel, de spier moet hoe dan ook lichtjes doorschijnend blijven. Houd er rekening mee dat diepvries- of 'potjes' vlees kwetsbaarder is, minder weerstand biedt dan en verse spier.
Betracht altijd de grootste hygiëne en gebruik alleen verse producten. Verwerk vis, schaal- en schelpdieren altijd gescheiden van andere producten ter voorkoming van kruisbesmetting.
Zie overzichtsartikel Jacobsschelpen
Schaal- en schelpdieren bederven snel. Bewaar verse schaal- en schelpdieren niet langer dan 2 dagen in de koelkast bij maximaal 2°, korter (1 dag) bij hogere temperatuur. Wanneer ze onaangenaam ruiken, verkleuringen vertonen of taai worden, zijn ze niet meer eetbaar.
Bereid en eet schaal- en schelpdieren daarom bij voorkeur op de dag van aankoop. Invriezen kan, maar kan ten koste van de smaak en structuur gaan. Koop in dat geval liever ingevroren producten.
Coquillevlees in pot is in de regel afkomstig van de Atlantische zeecoquille. Wees voorzichtig met de aankoop van 'potjes'- of diepvriesschelpen. Het komt voor dat de spier chemisch bewerkt is, ten koste van de smaak en de structuur. De ervaring leert, dat dat ten koste gaat van de weerstand van de spier, die daardoor gemakkelijk beschadigt.
Hij komt voor in ondiepe estuariene habitats langs de oostkust van de Verenigde Staten van Cape Cod, Massachusetts tot Texas. De schelp is in China en Canada geïntroduceerd, waar hij in kwekerijen wordt geteeld voor consumptie. Als gevolg van ontsnapping komt de schelp sindsdien ook voor in de Zuid-Chinese zee. Veel baaikamschelpen in de VS worden inmiddels geteeld, gebruik makend van in China geteelde baaikamschelp.
Zijn oorspronkelijke Atlantische habitat staat sterk onder druk. Door de sterke afname van zeegras en door overbevissing is de natuurlijke populatie van de baaikamschelp daar sterk gereduceerd. Er vindt enig herstel plaats, maar het herstel gaat langzaam, doordat de schelp weinig efficient reproduceert.
Hij is intussen afwezig langs de kusten van Georgia en de oostkust van Florida, maar lijkt zich te herstellen aan de zuidwestkust van Florida in Florida Bay, en in de wateren rond Nantucket, een eiland voor de kust van Massechusets waar tradioneel op deze soort wordt gevist, en men hard werkt aan het herstel van de natuurlijke populatie.
Aan wal ligt daar de Nantucket Shellfish Propagation Facility, waar behalve baaikamschelpen ook mosselen en oesters gekweekt worden. Jaarlijks worden er 100 tot 200 miljoen larven in de haven uitgezet om te groeien en te ontwikkelen, in de verwachting of in de hoop dat de soort zich er zal herstellen en zonder de broederij een duurzame toekomst heeft. Het relatief koude water en het inheemse zeeegras, waaraan de jonge schelpen zich hechten en waarin ze bescherming vinden tegen hun predatoren en de branding, dragen daar aan bij.
De geslachtsnaam Pecten is ontleend aan het Latijn voor kam of hark. Het epitheton irradians doelt op de radiale ribben.