

Tartaarboekweit stamt af van de Fagopyrum tataricum ssp potanini, gewone boekweit van wilde boekweit, Fagopyrum esculentum ssp ancestrale.
De twee boekweitsoorten verschillen in hun voortplanting: gewone boekweit Fagopyrum esculentum is voor de voortplanting afhankelijk van insecten (bijen, vliegen) en produceert witte tot roze bloemen, terwijl tartaarboekweit Fagopyrum tataricum zelfbevruchtend is en kleine, meer groenkleurige bloemen produceert. De soort is eenhuizig. De individuele bloemen zijn ofwel mannelijk of vrouwelijk, maar beide geslachten kunnen op dezelfde plant voorkomen, en wordt bestoven door bijen, vliegen, maar heeft ook de reputatie zelfbevruchtend te zijn, en zich daardoor gemakkelijk voort te planten en invasief te zijn. Het is bekend dat de Fagopyrum esculentum nectar produceert om bestuivers aan te trekken, de Fagopyrum tataricum doet dat vermoedelijk (!) niet.
.Tartaarboekweit (Fagopyrum tataricum) is een 60 tot 90 cm hoge, eenjarige akkerplant. Het is een kruidige plant (licht verhout) met een sterk vertakt wortelsysteem met één diep wortelende penwortel. Hij bloeit van juli tot september. Boekweit is binnen 70 tot 90 dagen volgroeid en gerijpt, tartaarboekweit doet er gemiddeld veertien dagen langer over.
De stengel is rechtopgaand en weinig vertakt. Bij de aanhechting van de zijtakken is de ocrea duidelijk zichtbaar, een kenmerk van de Duizendknopigen. De bladeren aan de onderzijde van de plant staan op steeltjes, die hoger in de plant groeien dicht tegen de stengel aan. Vanuit de bladoksels ontwikkelt zich de bloeiwijze met bleke, groenige bloemen in een losse pluim. Iedere bloem ontwikkelt zich tot een driekant vruchtje, dat één zaad bevat, vaak stomp en grof getand.
Op het oog zijn gewone boekweit en tartaarboekweit nauwelijks te onderscheiden. De bloempjes van de laatste zijn wel iets groener. Een zichtbaarder verschil tussen tartaar boekweit en gewone (zwart) boekweit is de kleur, die van tartaarboekweit is lichter, lichtbruin of kaki. Een ander verschil tussen tartaarboekweit en gewone boekweit is de smaak van de zaden. De zaden van tartaarboekweit bevatten een grote hoeveelheid quercetine, een bitterstof die ontstaat door de katalyse van rutine onder invloed van het enzym rutinosidase tot quercetine en rutinose.
In China is tartaarboekweit wijd verbreid in de provincies ten zuiden van de Yangtze rivier. Daar zijn meer dan 300 variëteiten geteld. Ook in Japan is tartaarboekweit een belangrijk 'graan', desondanks is het aantal tartaarboekweit-cultivars daar vrij bescheiden, niet meer dan een vijftiental. De cultivar 'Hokkai T8' was de eerste grote cultivar in Japan. In 2011 werd de lijn IRBFT-20 voor registratie ingediend, en in 2013 geregistreerd onder de naam darumadattan. Daruma is de naam van een populaire pop, en dattan betekent tartaars.11)
Om de bitterheid van tartaarboekweit te reduceren, kook je de gruttente op dezelfde manier als rijst, of laat je ze een nacht in water weken, waarna je het gelige weekwater af giet.
De plant is naar alle waarschijnlijkheid in China gemodesticeerd, en wordt onder meer verbouwd in de Chinese provincies Guizhou, Qinghai, Sezchuan en Yunan, en Tibet. Er zijn sowieso geen archeologische vondsten gedaan van boekweitzaden waaruit iets over de oorsprong en de domestica geconcludeerd zou kunnen worden. De geschiedenis begint daardoor bij de ontdekking van de boekweit door de Russische ontdekkingsreiziger Grigori Potanin aan het einde van de negentiende eeuw in de Chinese provincie Gansu.
Tartaarboekweit wordt voor het eerst beschreven in de Ben Cao Gang Mu, een verhandeling over Chinese medicijnen, dat dateert van 1578 uit de Ming dynastie. Het wordt 'dattan soba' genoemd, een naam die wordt gebruikt door de Yi minderheid in de gergacjtige gebieden van Yunnan en Szechuan voor wie Franse boewkeit dagelijkse voeding is.
Tartaarboekweit heeft zich over de hele wereld verspreid met slecht opgeschoond zaaigoed (vaak tussen gewone boekweit). Hij kwam daardoor ook in ons land veelvuldig voor op boekweit- en aardappelakkers. De plant komt voor in grote delen van Azië, Midden-Europa, Scandinavië en Noord-Amerika. De plant is sinds enige jaren niet of nauwelijks meer in Nederland gesignaleerd, mede als gevolg van de teruglopende boekweitteelt in de afgelopen vijftig jaar en als gevolg van onkruidbestrijding.
Tartaarboekweit wordt van oudsher geteeld in Oost- en Centraal-Azië (de Himalaya-regio's van China, Nepal, Bhutan en India). In China is tartaarboekweit een nationaal gewas van de Yi, een volk dat behoort tot de Tibet-Burmy taalgroep. Zij domesticeerden het gewas in de 2e eeuw voor Christus tijdens hun migratie van Oost-Tibet naar het zuidwesten van China. Tartaarboekweit is een koude- en droogtetolerant gewas en kan door zijn korte groeiperiode worden geteeld op hoogtes tot 4500 m in de Tibetaanse regio.
Tussen de twaalfde en veertiende eeuw migreerden de Sherpa's vanuit Oost-Tibet naar Nepal, en ontwikkelden er op een hoogte van 3500 m een zelfvoorzienend landbouwsysteem. Tartaarboekweit maakt hier deel van uit. In Tibet wordt zowel zoet als bitter boekweitmeel gebruikt voor het maken van brood, in Nepal gebruiken de boeren de boekweitkorrel voor het maken van brood en de bladeren als groente.
In Nepal werd in 1991 een uniek landras ontdekt. Deze soort, bhate genaamd of rijstboekweit. Deze boekweit, met een niet-hechtende schil, wordt verbouwd in het district Dolpa en kent een zwqarte variant, Kalo Kishe, en een witte, Seto Kishe (wit zaad).
Linneaus plaatste in 1753 noemde het toenmalig geslacht Fagopyrum Polygenum, waarmee het Fagopyrym-geslacht ophield te bestaan. Noig geen jaar later corrigeerde Miller dat, en maakte het onderdeel van de Polygonum-groep. Vele, vele aanpassingen later identificeert en hernoemt Moench een groot aantal planten in het plantengeslacht.5). Niet deze Fagopyrum tataricum, die naar de benaming van Linnaeus Polygonum tataricum in 1791 door Gaertner hernoemd is (Fructibus et Seminibus Plantarum 2: 182).
De geslachtsnaam Fagopyrum betekent beuktarwe, een samenvoeging van Fagus (beuk) en puros (tarwe). De verwijzing naar een beuk is verklaarbaar vanuit de vomverwantschap tussen boekweitzaadjes en beukennootjes. Het Oud-Nederlandse boecweite stoelt op dezelfde samenvoeging. Boec is Oud-Nederlands voor beuk, en weite voor tarwe. In veel talen is deze Nederlandse benaming overgenomen.
Het epitheton tataricum betekent 'tartaars'. In de St. Petersburg Izvestia (xx. 6, 1885) staan twee artikelen oiver de voedingsgewoonten van de Katchin Tartaren van Minusinsk. Zij zouden veel wilde planten eten, waaronder de Fagopyrum tataricum. 10)
.In Nederland wordt deze boekweit ook wel wilde boekweit genoemd, in Zuid-Limburg boekweitwinde, in Zeeuws-Vlaanderen Fransmannen. Waarom wordt deze link met Frankrijk, welke reden om deze boekweit ook wel Franse boekweit te noemen, terwijl de boekweit afkomstig is uit Azië en in Frankrijk net als hier geïntroduceerd is? In Frankrijk wordt hij hoe dan ook niet zo genoemd!
Tartaarboekweit is zelfbevruchtend en zelfbestuivend, in tegenstelling tot gewone boekweit. Daarom en omdat de plant bovendien vorstbestendig is, is de plant op tal van plaatsen invasief. 8), volgens de in 21 landen en eilanden 9).
Tartaarboekweit is glutenvrij. Vergeleken met gewone boekweit bevat Tartaarboekweit over de hele linie iets minder voedingsstoffen, maar bevat honderd maal zo veel rutine als gewone boekweit en is daardoor (veel) bitterder (1400 mg per 100 gram tegenover 15 mg).