Arenpalm
Palmgroenten en -fruit (Arecaceae)
Arenpalm
AREN PRODUCTEN
ARENGA PALM - ARENGA PINNATA

Arenpalm

De Arenpalm Arenga pinnata is een belangrijke suikerpalm in tropisch Azië. Van het sap dat wordt afgetapt, wordt suiker gemaakt, de vruchten dienen behandeld te worden alvorens als fruit gegeten te kunnen worden.

De Arenga pinnata maakt deel uit van het geslacht Arenga dat 25 palmsoorten omvat uit tropisch Zuid- en Zuidoost-Azië. Daarvan is de arenpalm de enige waarvan commercieel suiker wordt gemaakt. Eén arengasoort, de Arenga micrantha staat op de internationale rode lijst van de IUCN opgenomen als 'bedreigd', twee andere, de misteri en de wightii zijn als 'kwetsbaar' aangemerkt.

De palm, met zijn grote veervormige bladerenis een solitair die ongeveer 20 meter hoog wordt. De stam is 40-50 cm in doorsnede, en is doornig net als de stam van de Borassus flabelifer, en bedekt met vezels. De bladeren zijn 6 tot 12 meter lang en staan breed uit, tot zo'n anderhalve meter.

De arenpalm wordt afgetapt. Dat wordt bemoeilijkt door de doornige stam, een reden waarom 'gula aren' duurder is dan gula kelapa, de suiker van de kokospalm. Het tappen gebeurt twee maanden voordat de palm in bloei gaat en de sapstromen van zelf op gang komen. Het mannelijk bloemcluster wordt enkele dagen achtereen 'gemasseerd' om de sapstroom op gang te helpen. Dat gebeurt door er op te slaan. Wanneer de bos klaar is om getapt te worden, wordt deze afgesneden. Dat is het geval wanneer het sap op zijn zoetst is; het bevat dan circa 15% sucrose.

De sapstroom wordt opgevangen in bamboe-containers, die tweemaal per dag geleegd worden om bederf te voorkomen. Dit sap wordt nira genoemd. Een boom levert tien tot vijftien liter sap per dag. De nira wordt onmiddellijk verwerkt tot een stroperige vloeistof, soms gemengd met ander sap als van de jackfruit, en in vormen gegoten. Ook worden suikerbollen met de hand gevormd, deze heten gula gandu.

Van de nira wordt ook wel een alcholische drank gemaakt, saguer. De vorming van deze 'palmwijn' wordt gestimuleerd door aan de saguera schors of wortels van de nirih (Xylocarpus) te voegen of het sap van van mangosteen.

Wanneer het tappen eindigt en de palm geen vruchten meer geeft, zal men de boom vaak kappen om het zetmeel dat zich onderin de stam bevindt. Het wordt als sago gebruikt, om brood van te bakken, noedels mee te maken en dergelijke.


De vrouwelijke bloeiwijze, die een onaangename geur heeft, wordt zelden voor het tappen benut. De taaier stengel is moeilijker bewerkbaar en de sapstroom zou van mindere kwaliteit zijn. Uit de vrouwelijke bloeiwijze ontstaan de vruchten. Het duurt een jaar of twee, soms wel vijf jaar, voordat de vruchten volgroeid zijn en geoogst kunnen worden.

VERKRIJGBAARHEID

GEBRUIK EN BEREIDING

De arenvrucht wordt - in siroop - als dessert gebruikt.

DE VRUCHT

De arenpalm bloeit vanaf het tiende tot twaalfde jaar, soms eerder, en geeft vanaf dan de eerste vruchten. In zijn algemeen geldt dat de vrucht later bloeit wanneer hij op grotere hoogte groeit.

De vruchten ontwikkelen zich aan de vrouwelijke bloeiwijze. Het kan wel vijf jaar duren voordat de vruchten volgroeid zijn. Ze zijn dan 7 centimeter in doorsnede en groen. Wanneer ze rijp zijn, kleuren ze zwart. Ze bevatten twee of drie zaden, omgeven door een zacht, glazig vruchtvlees, het mesocarp. De vrucht is onbereid oneetbaar, vanwege het oxaalzuur . Het plukken en rapen alleen al vraagt de nodige voorzichtigheid.

De vruchten worden eerst in hun geheel (met schil en al) geroosterd of gekookt, om ze te kunnen pellen, en een allergische reactie te voorkomen. Na het kaoken wordt de bast (exocarp) verwijderd, zodat de pitloze vruchten verder behandeld kunnen worden. Deze nabehandeling bestaat uit (weer) koken en wekenlang (twee tot drie weken) spoelen met water.

Wanneer de vrucht gerijpt is en zich zaden hebben ontwikkeld, zijn de vruchten practisch waardeloos geworden, omdat de pit (endocarp) verankerd is aan het mesocarp en nauwelijks te verwijderen is, tenzij de vrucht met kalkwaterwordt behandeld. In de regel laat met rijpe aren-vruchten links liggen.

OORSPRONG EN VERSPREIDING

De arenpalm is inheems in tropisch Azië, van het oosten van India tot aan China (Fujian en Guangdong) en de Philippijnen. Hij groeit daarnaast ook in Tanzania, waar hij invasief is.

De suikerproductie van deze palm vindt overwegend plaats in het westen van India (Bengalen) en Bangaladesh.

TAALKUNDIGE ASPECTEN, ETYMOLOGIE

De arenga heeft in Indonesië alleen al talloze namen, variërend van enau, nau en hanau tot peluluk, biluluk, juk en ijuk, en dat is nog maar het begin. De botanische soortnaam pinnata duidt op de veernervige bladeren.

VERTALING AREN PALM / VRUCHT

engels
gomuti or aren palm
frans
palmier areng
italiaans
palma della zucchero
spaans
palma azúcarare
duits
arengpalm
arabisch
nakhlet al sukkar 
hindi (india)
thantung
indonesisch
enau
japans
satou yashi
vietnamees
bung bang
chinees
satōyashi 砂糖椰子
kantonees
 
 

GEZONDHEIDSASPECTEN

VOEDINGSSTOFFEN - GEZONDHEIDSRISICO'S

Over het algemeen zijn planten die onder moeilijke omstandigheden groeien giftig. Dat geldt hoe dan ook voor de Caryota- en de Arengapalmen. de verantwoordelijke stof is oxaalzuur.

De giftigheid van de arenpalm vereist dat de vruchten omzichtig behandeld moeten worden, en bereid moeten worden, alvorens ze gegeten kunnen worden. Maar inname is niet enige probleem. Mocht je onverhoopt oop een arenvrucht stappen, ondervind je een stekende pijn. Dat is ook het geval wanneer je op andere manier in contact komt met de vruchten.

SAMENSTELLING PER 100 GRAM
RAUW PRODUCT

BRONVERMELDING UPDATE AUGUSTUS 2016

Tapping palmtrees | C. Dalibard, 1999, in Livestock research for rural development, nr 11 Enau | Wikipedia (ID/EN) Arenga | Wikipedia (FR) Arenga pinnata | Agroforestry Arenga pinnata | Agroforestry Arenga pinnata (black sugar palm) | Factsheets Bionet-Eafrinet Arenga pinnata | T.K. Lim edible medicinal and non-medicinal plants Vol I Fruits Arenga pinnata | Flora of China Arenga pinnata | Useful tropical plants Sugar palm: arenga pinnata | H.B. Florido, Aug 2003 Research information series on ecosystems Vol15 no 2