Indiase vijzels
 
DE INDIASE VIJZEL
 
THIRUGAI (CHAKKI) | INDIA
INDIASE ROTATIEVIJZELS

DE INDIASE VIJZELS

Naast het gebruikelijke arche-type vijzel van een kom en een stamper maakt men in India veelvuldig gebruik van roterende vijzels (molenstenen).

Deze thirukai of thirugai bestaan uit een stabiele bodemsteen en een draaibare maalsteen, het systeem dat we onder meer kennen van graanmolens. In India worden deze molens ook thuis gebruikt, voor het malen van graan, zoals rijst voor idli dosa, zaden (voor olie) en bonen.

Vooral het scala aan zogenaamde natte molens is groot, van diverse uitvoeringen vijzels en handmolens tot electrisch aangedreven nate molens, waaraan een apart artikel gewijd is. Vijzels worden gemaakt van basalt, zoals de Indonesische vijzels, maar ook van palewasteen (grijs)- of gorarasteen (van groen tot zwart), beide gerekend tot het zeepgesteente.

In het Sanskrit heeft men afzonderlijke benamingen voor houten en stenen vijzels en stampers. De houten mortier (kom) wordt ulukhala genoemd, naar de vijgenboom. De vaak lange houten stamper wordt ulakka genoemd, en is vaak voorzien van een metalen uiteinde. Ulakka is ook de algemene benaming voor een graanvijzel, en wordt veelal gebruikt voor het vijzelen van rijst.

De algemene benaming voor een mortier is ural. Een houten uitvoering wordt thatiural genoemd, een stenen kallural.

VERKRIJGBAARHEID EN AANKOOP

De hier verkijgbare Indiase vijzels zijn in de regel van zeepsteen gemaakt. De prijzen lopen zeer uiteen, afhankelijk van de grootte, de uitvoering (diep-ondiep) en de mate van decoratie. Deze vijzels, gemaakt van Indiaas zeepsteen worden onder meer in wereldwinkels verkocht. Een Fairtrade vijzel kost rond € 25.

OORSPRONG EN VERSPREIDING

Het gebruik van stenen om granen en zaden fijn te malen in India is veel ouder dan de eerste geschriften waarin de techniek en de toepassingen worden beschreven.

Het vijzelen is in India voor het eerste beschreven in het jaar 1500 voor Christus. Daarbij worden twee typen vijzels gebruikt, de ulukhala, met stamper) en de roterende gravan. In de Arthaśatra van Kautilya staat een opsomming waar deze stenen zo al voor worden gebruikt, met name voor het winnen van olie, uit lijnzaad, sesam en saffloer bijvoorbeeld. In de 6e eeuw gebruikt men het woord ghanis voor de grote oliemolens, in de 13e. Ghani's zijn gebaseerd op het principe van een kom en een stamper, hoe ze ook bediend werden. De met ossen aangedreven molens werden ettu-ghani of -gana, genoemd, die met de voet werden bediend mettu-ghani en die met de hand kai-ghani. De mortier werd vaak van de stronk van de tamarindeboom (Tamarindus indica), de nangka (Artocarpus heterophyllus) of de baheda (Terminalia bellirica) gemaakt, de stamper vaak van deze baheda of de babul of gomboom (Vachellia nilotica).

In het Hindi is het woord voor de maalsteen, maar ook voor de molen en de draaiende delen chakki, een term die ontleend is aan het oude cakrin, dat uit de 6e eeuw dateert. In het zuiden van India wordt het woord chekku gebruikt.

Aan het begin van de 20e eeuw werd in India 75% van alle oliehoudende zaad vermalen in maar liefst 500.000 ghani's. De oliepersers waren ooit zelfs een afzonderlijke kaste. Tegen het eind van de eeuw werd nog maar 4% van alle oliezaad in traditionele ghani's verwerkt.

BRONVERMELDING UPDATE MEI 2017

Ghani: A traditional method of oil processing in India | FAO K.T. Achaya 1993 Indian oilpress | K.T. Achaya Indian journal of science, 1992 27(1) pp 5-13 Words of Dravidian origin in the Rgveda | V. Sankaran Nair, The Aryan Tryst with the Dravidians